Een kleurrijk verhaal in tinten grijs!

De Alpen

De Alpen vormen een lange bergketen die zich uitstrekt over Oostenrijk, Italië, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Slovenië, Hongarije, Liechtenstein en Monaco. Bijna iedereen is er al eens geweest en zelf trekken we er jaarlijks wel enkele keren naartoe om in de ongerepte Alpen in de Lungau, een regio in de Oostenrijkse deelstaat Salzburgerland, op zoek te gaan naar de typische dieren die er voorkomen. 

De hele range is interessant: van de dichte naaldbossen met vogels als de auerhoen of enorme nesten rode bosmieren, tot net boven de boomgrens waar we de schattige Alpenmarmotten en gemzen kunnen tegenkomen, tot de echte koningen van de bergen, de indrukwekkende Alpensteenbokken. Tel daar nog een over de bergen zwevende steenarend bij in een landschap van eindeloze bergtoppen, en het verhaal van wilde natuur in Europa is compleet!

Ontstaan van de Alpen

De Alpen zijn ontstaan door de zogenaamde ‘platentektoniek’. Ongeveer 110 miljoen jaar geleden, in het Krijt, begonnen de Afrikaanse plaat en de Euraziatische plaat naar elkaar toe te bewegen, en op dit moment gaat deze beweging trouwens nog altijd verder. 

Door het tegen elkaar duwen van die enorme landmassa’s schuift een deel van de ene plaat omlaag, terwijl de andere omhoog komt. En dit omhoog komen vormt bergketens, de Alpen.

Vooraleer beide continenten tegen elkaar kwamen, tijdens het Jura en het Krijt, bestonden de randen uit ondiepe, warme zeeën. Hierin leefden enorme aantallen kleine diertjes met een kalkskelet. Als die diertjes sterven, blijft het kalkskeletje achter. In de loop van honderdduizenden jaren bestonden de randen van de continenten daarom uit een dikke laag kalksteen, de opeengeperste kalkskeletjes. 

Tijdens de vorming van de Alpen kwam die kalklagen omhoog, schoven ze over elkaar en werden ze geplooid. De dikke lagen aan beide kanten van de Alpen worden de Noordelijke en Zuidelijke Kalkalpen genoemd.

Ten noorden en zuiden van de Alpen vormen zich ook grote bekkens. Dit komt omdat het enorme gewicht van het gebergte de aardkorst naar beneden geduwd wordt. In die bekkens verzamelt zich dan enorm veel erosiemateriaal.

700-1.700 meter: de bergbossen of montane zone

De gemengde loofbossen van de laagvlaktes veranderen naarmate we hoger de bergen ingaan langzaamaan in de typische sparrenbossen. Grotere zoogdieren als reeën, edelherten, boommarters of everzwijnen trekken voor hun dagelijkse portie voedsel ’s nachts langzaam doorheen het bos terwijl ook de vele dode bomen een thuis bieden aan korstmossen, paddenstoelen en heel wat diersoorten zoals spechten. Voor de vele zangvogels moet je dan weer meestal naar de boomtoppen kijken.

Dode bomen

Wie in een bos in de Alpen rondwandelt ziet overal dode bomen liggen, in alle mogelijke stadia van afbraak. Vanaf het moment dat een boom sterft, bijvoorbeeld na het omvallen door de hevige stormen die er soms woeden, biedt de boom een leefgebied voor heel wat dieren, planten en schimmels. Zij zullen uiteindelijk het hout helemaal afbreken. Maar dit proces gaat niet vanzelf. Het kan tot 15 jaar duren vooraleer een boom volledig is weggewerkt. De eerste 3 jaren zijn het vooral kever- en vliegenlarven die in het hout kruipen. Boompaddenstoelen en schimmels beginnen het hout af te breken en de schors komt stilaan los. Nog later bedekt een tapijt van mos wat er nog rest, en dit mos biedt dan weer bescherming aan bodemdieren. Zeker in de winter zorgen de afbraakprocessen in en rond de boom voor extra warmte.  

Nieuwe bomen ontkiemen vaak op rottende stompen van dode bomen. De jonge boompjes profiteren immers van de vele voedingsstoffen die nog in de dode boom te vinden zijn. De wortels groeien dan over de stompen, en wanneer de stomp volledig is weggerot, lijkt het soms wel alsof de nieuwe boom op stelten staat…

De bekendste liefhebbers van dood hout zijn ongetwijfeld de spechten. Ze hakken hun nestholtes in rottend hout en brengen daar hun jongen groot. Diezelfde nestholtes kunnen ook ingenomen worden door boom- of steenmarters, en ook vleermuizen en bijen of hommels maken hier soms gebruik van.

Een leuke soort is de drieteenspecht (Picoides tridactylus). Terwijl de meeste spechten vier tenen hebben, twee die naar voor en twee die naar achter wijzen (wat ook bij bijvoorbeeld parkieten en papegaaien het geval is) heeft de drieteenspecht maar één teen die naar achter wijst, en twee naar voor. Drie tenen in totaal dus. Mannetjes hebben een geel petje. Op de beelden kan je zien dat we een vrouwtje konden filmen.

Drieteenspechten zijn niet zo makkelijk te ontdekken, maar het voordeel is wel dat ze vaak lange tijd aan dezelfde boom blijven hangen om naar voedsel te zoeken. Heb je ze dus eenmaal gevonden, dan kan je er meestal wel lange tijd naar kijken, op voorwaarde dat je ze niet verstoort natuurlijk. Ideaal voor ons, want ik wilde een poging wagen de specht te filmen. Heel voorzichtig kropen we tussen de struiken om meter na meter wat dichter te naderen. De specht bleef gewoon verder naar voedsel zoeken, en had ons helemaal niet in de gaten. We konden duidelijk zien hoe hij voorzichtig met zijn snavel op de schors tikte om te horen of er geen kleine holtes achter de schors verborgen liggen. Is dit zo, dan is de kans groot dat hierin de larven van houtborende kevers zich schuilhouden. Op één van de beelden van het filmpje kan je zien hoe de specht de schors wegpikt en de onderliggende houtwormpjes met zijn snavel lospeutert. Geweldig om te zien! Uiteindelijk konden we tot op twee meter naderen, en toen we na het filmen terug wegslopen, was de vogel nog altijd aan dezelfde boom bezig! Drieteenspechten drinken ook graag het sap van bomen. Hiervoor pikken ze rondom de boomstam in de schors een ring van gaatjes (zie foto). De boom gaat “bloeden”, verliest zijn sap, en geregeld komt de specht dan terug om dit sap op te likken. 

Nog meer dieren…

Misschien wel de meest spectaculaire vogel die je kan tegenkomen in de montane bossen is het auerhoen (Tetrao urogallus). Deze gigantische hoenderachtigen komen baltsen op open plekken in het bos. Ze eten vooral bosbessen, en schakelen in de winter noodgedwongen over op naalden van sparren of lorken. We hebben al geregeld auerhoenen zien opvliegen en sporen gevonden, maar tot nu toe is een kleine video met een wildcamera het enige beeld dat we in de Alpen konden maken. 

Omdat de bossen zo donker zijn, loont het voor prooidieren om ook donker te zijn. Zo vallen ze immers minder op voor roofdieren. Je ziet dit bijvoorbeeld aan de eekhoorns (Sciurus vulgaris). Terwijl een erg donkere, bijna zwarte eekhoorn bij ons eerder uitzondering is, zijn de eekhoorns in de Alpen bijna allemaal donker van kleur en is ‘onze’ lichtbruine vorm eerder een zeldzaamheid. Zo zijn ze voor roofvogels als haviken moeilijker te zien.

Bij ons zijn ze jammer genoeg niet zo veel meer te vinden, maar in de bergbossen van de Alpen kom je ze overal tegen: de grote mierenhopen van de rode bosmier (Formica rufa). De koepels kunnen tot een meter hoog worden, en zijn gemaakt van naalboomnaalden en kleine stukjes hout. Aan de buitenkant zie je duizenden werksters druk in de weer om het nest uit te breiden of te herstellen. Via ‘wissels’, kleine paadjes, vervoeren de werksters het materiaal dat ze nodig hebben om het nest in orde te maken. In elk nest kunnen meerdere koninginnen voorkomen die niets anders doen dan eitjes leggen binnenin de koepel.

Belangrijk is dat hun nest altijd warm genoeg blijft. Hoewel er in de winter veel minder activiteit is, kun je de werksters op koude, maar zonnige dagen wel vaak op het nest zien zonnen. Hun donkere lijfjes nemen de warmte op, en die warmte nemen ze mee naar binnen. Op meer open zonnige plekken zijn de nesten eerder breed en plat. In donkere bossen zijn de nesten meestal wat hoger, om de zonnestralen zo efficiënt mogelijk op te vangen. Tenslotte zit er veel lucht tussen de naalden van een mierennest. Dit zorgt dan weer voor een goede isolatie.

De grootste bewoners zijn de edelherten (Cervus elaphus). De sporen, zoals uitwerpselen of pootafdrukken, zijn meestal makkelijk te vinden, zeker als er sneeuw ligt. De dieren zelf zijn vaak opvallend moeilijk te vinden. Edelherten kunnen tot boven de boomgrens voorkomen, maar zakken in de winter tot in de bossen van de bergdalen.

In de bossen vind je ook heel wat zangvogels: koolmezen en pimpelmezen, maar ook goudhaantjes, boomklevers en -kruipers, kruisbekken, goudvinken en groepen sijsjes. 

De bergbossen zijn ook erg belangrijk om de dieper gelegen bergdalen te beschermen tegen lawines, steenpuin,… Daarom is een variatie aan soorten belangrijk. De fijnspar (Picea abies) en de zilverspar (Abies alba) hebben beiden een erg verschillend wortelstelsel. De fijnspar is platgeworteld, terwijl de zilverspar erg diep wortelt. Dit samenspel voorkomt dat de bodem erodeert en rotsblokken naar beneden vallen.

Water

De bergriviertjes meanderen niet alleen prachtig doorheen het landschap, maar ze zijn altijd de moeite om even te checken of er geen waterspreeuwen (Cinclus cinclusin of naast het water te vinden zijn. Deze kleine vogeltjes zijn gespecialiseerd in het zoeken naar kleine ongewervelde waterdiertjes of kleine visjes tussen en onder het gesteente. Door hun vleugels in de perfecte hoek te houden, duwt het stromende water hen naar beneden. Op die manier kunnen ze letterlijk op de bodem van het water rondlopen terwijl ze met hun snavel steentjes omdraaien in de hoop wat lekkere prooien tegen te komen.

Ook goed voor de mens…

De fijnspar is platgeworteld, terwijl de zilverspar erg diep wortelt. Dit samenspel voorkomt dat de bodem erodeert en rotsblokken naar beneden schuiven.

Sub-Alpiene zone: 1.600-2.300 meter

Wanneer we meer en meer stijgen, worden de sparren ingewisseld met lorken en alpendennen. Als ondergroei heb je hier vaak bosbessen, alpenrozen en dikke mospakketten. 

 

Typische vogels van hier zijn de notenkrakers en korhoenen.

 

De Europese lork (Larix decidua) is de enige naalboom bij ons die in de winter zijn naalden verliest. Dit biedt bescherming tegen vorst en dorst. Op deze hoogte kan het immers zo koud worden, dat de sappen in de naalden toch maar zouden bevriezen. Tegelijkertijd kan de boom geen vocht halen uit de bevroren bodem, en zou er via de naalden veel water verdampen. Geen water opnemen, maar ook veel water verliezen, zou uiteindelijk droogtestress betekenen. Op die manier kunnen de bomen temperaturen aan tot -40°C! Omdat de wortels wijdverspreid zijn en tot 2 meter diepte kunnen gaan, zijn lorken ook heel erg goed bestand tegen zware stormen.  

De tweede grotere boom die op deze hoogte nog voorkomt is de alpen-den (Pinus cembra). Hiermee heeft de notenkraker (Nucifraga caryocatacteseen speciale relatie. Zoals de naam al een beetje aangeeft zijn notenkrakers (Nucifraga caryocatactes) echte zaadeters. Ze gaan continu op zoek naar de zaden van voornamelijk dennenbomen.

Alpendennen kunnen erg oud en indrukwekkend van omvang worden. Net zoals bij andere dennen-bomen, zitten hun zaden verstopt in de kegels (dennenappels). Als de kegel van de boom valt, belandt die op de grond. De kegel rot weg, de zaden blijven achter, en met wat geluk kunnen hier dan de nieuwe bomen uit ontstaan. Maar net zoals dit voor dieren het geval is, is het ook voor bomen en planten goed om hun genen wat verder te verspreiden. Sommige zaden verspreiden zich via de wind (de zaadjes van paardenbloemen waar we zo graag tegen blazen), andere zaden blijven kleven aan de vacht van dieren tot ze kilometers verder weer afvallen (kleefkruid), nog anderen zaden zitten verpakt in iets lekkers (vruchten) en worden gewoon rechtstreeks opgegeten en belanden via de uitwerpselen ergens anders (de uitwerpselen van dassen zitten in de juiste periode vol met kersenpitten),….

De notenkraker helpt op zijn manier de alpen-den, en andersom. In de winter is er voor de notenkraker weinig voedsel te vinden. Daarom verstopt elke vogel in de herfst heel wat zaden over zijn territorium. Met zijn snavel peutert hij de zaadjes uit de kegels. Tot 25.000 (!) kan hij er zo verstoppen. Om niet voor elk zaadje op en neer te moeten vliegen, heeft de notenkraker een speciale krop waarin hij zadenpakketjes van ongeveer 200 zaadjes kan verzamelen om ze naar een verstopplaats te brengen, soms tot enkele kilometers verwijderd van de boom. Hij graaft telkens een hoopje zaden onder de grond.

Breekt de koude, barre Alpen-winter aan, dan vertrouwt de notenkraker op die verstopte zaadpakketjes. En met succes, wat notenkrakers zijn zoals de meeste kraaiachtigen erg intelligente vogels. Tot 90% van die verstopte pakketjes weet hij gedurende de winter terug te vinden. Maar de overige 10% blijft liggen, en onder de juiste omstandigheden ontkiemen ze, waardoor de alpen-den zo zijn zaden, en dus ook zijn genen, kan verspreiden. Een win-win-situatie dus, zowel voor de den als voor de notenkraker!
Het hout van de alpen-den wordt trouwens vaak gebruikt om meubels te maken. Bewezen is dat dit hout zelfs een anti-bacteriële en antischimmelwerking heeft. En niet te vergeten, de typische zirbe-schnaps. Een aanrader!

Alpiene zone: 2.300-3.000 meter

Naarmate we hoger gaan, wordt de vegetatie schaarser en schaarser. Door de lage temperaturen, hoge windsnelheden en het korte groeiseizoen kunnen hier geen bomen meer groeien. Alleen op gunstige plekjes, vaak wat afgeschermd van de omgeving, zijn soms halfvolgroeide bomen te vinden. 

 

Ook de temperaturen veranderen, het wordt kouder en kouder. Per 100m dat we hoger gaan, daalt de temperatuur met ongeveer 0,6°C. Enkel dieren en planten die speciale aanpassingen hebben, kunnen in die koude overleven. Onder het vriespunt zou het vocht in planten- en diercellen immers bevriezen. Bij vriestemperaturen worden er daarom suikerverbindingen gemaakt in de cellen. Hierdoor zakt het vriespunt van het water. Net zoals wij soms suiker in het water doen om te voorkomen dat het water bevriest.

 Gletsjers en permafrost

Het meest bekend en indrukwekkendst zijn ongetwijfeld de gletsjers. Gletsjers worden gevormd wanneer de temperaturen in de zomer te laag blijven om het sneeuw dat in de winter is gevallen, helemaal te doen smelten. Eerst verandert de sneeuw in firn, een soort grofkorrelige tussenvorm tussen sneeuw en ijs. Door het gewicht en de druk van nieuwe sneeuw verandert dit firn dan uiteindelijk tot gletsjerijs, dat een typisch blauwe kleur heeft. Als er steeds opnieuw sneeuw valt, de druk hoger wordt, de onderste laag firn omgezet wordt in ijs, enz… groeit de gletsjer. 

Gletsjers zijn constant in beweging. Door het enorme gewicht wordt het diepste ijs, op ongeveer een 30 meter diepte, een beetje stroperig. De zwaartekracht werkt hierop in en doet de gletsjer langzaam bergafwaarts bewegen, van enkele meters tot enkele tientallen meters per jaar. Door hun eigen druk en gewicht kan je gletsjers dus eigenlijk bekijken als heel langzaam voortbewegende rivieren. Door het schuren en slijpen van zo een gigantische massa heeft een gletsjerdal ook altijd een U-vorm. Rivierdalen daarentegen hebben meer een V-vorm. Op de foto is de U-vormige vallei van een (gesmolten) gletsjer te zien. 

Als de ondergrond het hele jaar door een temperatuur heeft van minimum -3° Celsius, dan houdt het permanente ijs de rotsen en het puin als het ware bij elkaar als beton. We spreken we van permafrost. 

Door de klimaatverandering worden de gletsjers en de permafrostlagen in snel tempo echter kleiner. 

 Droogte op hoogte…

Het klinkt misschien een beetje tegenstrijdig, maar ondanks het feit dat het in de bergen vaker regent dan in de dalen, is droogte ook iets waar planten rekening mee moeten houden. De bodem is rotsachtig en bevat weinig grond. Hierdoor trekt het water heel snel weg. De wind zorgt er eveneens voor dat de grond op deze hoogte snel uitdroogt. En tenslotte is water onbereikbaar als de grond een groot deel van het jaar bevroren blijft…

Veel planten hebben daarom dikke bladeren, een beetje vergelijkbaar met de bladeren van cactussen. Hierin kunnen ze veel water opslaan. De planten dringen ook diep in de grond door. Hierdoor zijn ze beter verankerd in de bodem. Dit biedt bescherming tegen de felle wind, maar zo kunnen ze ook meer water en voedingsstoffen uit de bodem halen. En ook dwerggroei biedt bescherming tegen de droogte. 

Dwerggroei

Wandel je op deze hoogte rond, dan valt al snel op dat de meeste plantjes erg klein zijn, kleiner dan soorten van dezelfde plantenfamilie die in lager gelegen gebieden voorkomen. Enerzijds kunnen ze niet anders. De grote verschillen tussen de temperaturen overdag en ’s nachts, en de sterke UV-straling, zorgen er sowieso al voor dat de groei geremd wordt. Maar tegelijkertijd biedt die dwerggroei ook voordelen. We zagen al dat droogte een probleem kan zijn. Door klein te zijn, wordt de route van het water van de wortel tot de plant, korter, en kan er minder water verloren gaan. Dichter bij de grond is de luchtvochtigheid ook wat hoger, en heeft de wind minder vat op de planten. In de winter zorgt de sneeuw er ook voor dat de plantjes goed geïsoleerd zijn. Een sneeuwpakket vormt immers een sterke isolatie, iets waar alpensneeuwhoenen ook gebruik van maken (zie verder). 

Polsterplanten of kussen-planten

 Veel planten in de Alpen vormen halfronde ‘kussens’. Ze zijn als het ware overkapt door hun bladeren. Door die vorm wordt er maar een relatief klein deel blootgesteld aan de buitenlucht, waardoor er minder verdamping is. Ook alweer een aanpassing tegen de droogte… Binnenin het ‘kussen’ is er geen wind. Het blijft hier daarom vochtiger en warmer. De dorre bladeren worden door de overkapping vastgehouden en vormen humus. Als ondersteuning dringt een sterke penwortel diep in de bodem, en zijwortels zuigen het beetje vocht naar boven. Een voorbeeld is Alpenmansschild (Androsace alpina). 

Maar het klimaat is niet het enige probleem dat planten en dieren op deze hoogte moeten overwinnen. De lucht bevat hier weinig stof- en waterdeeltjes die de UV-straling van de zon kunnen reflecteren. Al op 1.800 meter hoogte valt er dubbel zoveel UV-straling op het aardoppervlak dan op zeeniveau, en per 100 meter neemt de straling met 1,5% toe. Planten hebben daarom vaak haren, of speciale pigmenten die de straling tegenhouden. Koudbloedige dieren, zoals insecten of amfibieën, kunnen hun lichaamstemperatuur niet zelf regelen. Zij profiteren dan weer van het directe zonlicht in de zomer. 

Om de lange, koude winter door te komen heeft elk dier zo zijn eigen strategie.

Alpenmarmotten 

Alpenmarmotten kiezen ervoor om in winterslaap te gaan. In hun burcht slepen ze tot 15kg plantaardig materiaal om hun kamer waarin ze de winter zullen doorbrengen, wat aangenamer te maken. Die kamer kan tot 3m diep onder de grond liggen. Tijdens het slapen daalt hun lichaamstemperatuur tot 0°C, hun ademhaling daalt tot amper 2-4 keer per minuut, en hun hartslag daalt tot 30 keer per minuut. Door zich op te krullen, blijft de warmte nog beter vastzitten in hun lichaam. Als de temperatuur in de burcht toch daalt tot lager dan 5°C, worden de marmotten terug wakker en stijgt hun lichaamstemperatuur weer totdat de burcht weer voldoende is opgewarmd. Dan vallen ze terug in slaap. Gedurende de hele winterslaap eten de marmotten niets. Ze moeten het dus zien te overleven met het vetreserve dat ze vóór de winter opslaan. Omdat alpenmarmotten zulke boeiende dieren zijn, hebben we een aparte pagina gemaakt over deze soort. Je kan deze hier terugvinden.

Alpensneeuwhoen (Lagopus muta

Alpensneeuwhoenen zijn een van de enige vogels die ook in de winter boven de boomgrens blijven. Hiervoor hebben ze wel een aantal aanpassingen tegen de koude. Hun fijne vacht zorgt ervoor dat alpensneeuwhoenen temperaturen tot diep onder het vriespunt kunnen trotseren, maar ’s nachts of bij extreme koude graven ze zichzelf in een klein kuiltje in de sneeuw in waarin ze urenlang kunnen zitten. Sneeuw biedt immers erg veel isolatie. Ze maken dus eigenlijk hun eigen iglo. Als extra isolatie zitten er ook veren rond hun snavel, poten en tenen, iets wat andere hoenderachtigen, zoals bijvoorbeeld de auerhoen, niet hebben. 

Steenarend (Aquila chrysaetos)

Tot nu toe konden we ze nog niet in levende lijve zien (komt nog wel…), maar we vonden wel al veel sporen. Hun fijne vacht zorgt ervoor dat alpensneeuwhoenen temperaturen tot diep onder het vriespunt kunnen trotseren, maar ’s nachts of bij extreme koude graven ze een klein kuiltje waarin ze urenlang kunnen zitten. Sneeuw biedt immers erg veel isolatie. Als extra isolatie zitten er ook veren rond hun snavel, poten en tenen, iets wat andere hoenderachtigen, zoals bijvoorbeeld de auerhoen, niet hebben. 

Alpenkauw (Pyrrhocorax graculus)

De alpenkauw met zijn gele, lichtjes gebogen snavel en oranje poten is een echte luchtacrobaat die langs de hoogste bergtoppen in de alpen scheert.

Ze gebruiken de wervelende luchtstromen rond de bergtoppen en wanden om spectaculaire stuntvluchten uit te voeren. Hun nesten maken ze ook op steile kliffen en rotswanden, en de eitjes hebben zelfs speciale aanpassingen om nog beter zuurstof te kunnen opnemen. In de Himalaya zijn er broedgevallen bekend van boven de 6.000 meter, hoger dan eender welke andere broedvogel.

Maar hoewel alpenkauwen vogels van de Alpiene zone zijn, zijn het ook erg intelligente vogels die geleerd hebben dat in de lager gelegen skidorpen vaak heel wat voedsel te vinden is. Sommige alpenkauw-kolonies zakken daarom overdag om zich tegoed te doen aan wat toeristen achterlaten en eetbaar is. Tegen de avond zoeken ze echter terug de veiligheid van de hoogte op, en kunnen ze soms kilometers terugvliegen naar hun slaapplaatsen.

Helemaal veilig zijn ze echter nooit. Zelfs op grote hoogte kunnen ze ten prooi vallen aan slechtvalken of steenarenden, en raven kunnen soms de eieren roven.

Tijdens de laatste ijstijd, ongeveer 18.000 jaar geleden, had de alpenkauw een veel groter verspreidingsgebied. Ze kwamen voor tot in het zuiden van Italië. Heel Zuid-Europa bestond toen uit koude, open vlaktes. 

 

Nivale zone: hoger dan 3.000 meter

Rotsen, sneeuw en ijs. Veel meer lijkt hier niet voor te komen. Er zijn maar hele korte momenten dat hier planten kunnen groeien. De hoge UV-straling, en de extreme koude en wind, maken het hier voor de meeste planten en dieren onleefbaar. Alleen echte specialisten kunnen hier voorkomen, zoals de gletsjerboterbloem (Ranunculus glacialis), Alpenleeuwenbek (Linaria alpina) en verschillende soorten korstmossen. 

Dassenfilm

Al enkele jaren filmen we het boeiende leven van een familie dassen en hun omgeving. Ontdek er alles over!