Dassen (Meles meles)

Dieet van een das

Dassen zijn echte alleseters. Gevallen fruit, keverlarven, bessen, noten,… kan allemaal tot hun dieet behoren. Er is maar 1 voorwaarde: ze doen er liever niet te veel moeite voor. Dassen zullen bijvoorbeeld niet gaan jagen op konijnen, maar komen ze tijdens hun zoektocht naar voedsel een jong konijntje tegen, dan zullen ze niet twijfelen. Ze zullen evenmin in bomen klimmen om sappige peren te eten, maar het gevallen fruit dat gratis voorhanden is, zullen ze zeker niet laten liggen…

Kijken we naar het dieet gedurende een jaar, dan vormen, raar maar waar, regenwormen hun hoofdvoedsel. Er zijn verschillende soorten regenwormen, maar de das heeft zich gespecialiseerd in de Lumbricus terrestris, de gewone regenworm, de worm die wij kennen uit onze tuinen. In bosgebieden komt deze soort niet zo veel voor omdat de bodem hier voor deze beestjes wat te zuur is. Met zijn snuit tegen de grond geduwd besnuffelt hij de bodem totdat hij een regenworm ruikt, en trekt die dan met dé perfecte techniek voorzichtig uit de grond. Tot 200 wormen kan hij per nacht naar binnen spelen. Dit is ook nodig, Een regenworm weegt 5 gram, een das 12000 gram! Hoe dichter de das met zijn snuit tegen de bodem kan snuffelen, hoe makkelijker hij de regenwormen kan ontdekken. Een pasgemaaid gazon is dus ideaal!.

Voortplanting bij dassen

Dassen zijn de enige marterachtigen die in familieverband leven. In zo een ‘dassenclan’ is er meestal maar 1 vrouwtje dat jongen krijgt. Maar vooraleer die jongen er zijn, speelt er zich bij dassen een wonderbaarlijk voortplantingsproces af.

De paring

Alles  begint bij de paring. Wanneer een mannetje ruikt dat het vrouwtje loops is, zal hij het vrouwtje uit de burcht proberen te lokken door een typisch ‘churr’-geluid te laten horen. Eenmaal de burcht verlaten, doet het mannetje alle moeite van de wereld om indruk te maken op het vrouwtje. Hij schuurt zich tegen het vrouwtje, heft zijn staart op, en als alles meezit komt het uiteindelijk tot een paring. En die paring kan lang duren, soms wel meer dan een uur. Het ‘churr’-geluid blijft het mannetje gedurende heel de paring aanhouden. Dit geluid heeft er ooit voor gezorgd dat we de paring van dassen mooi konden filmen. KDe reden waarom een dassenparing zo lang kan duren, is waarschijnlijk om te voorkomen dat andere concurrerende dassenmannetjes ook een poging wagen. Op korte termijn lukt dit misschien wel, maar op langere termijn ligt het toch wat ingewikkelder, zoals je hieronder kan lezen.

Uitgestelde zwangerschap

Hoewel de piek van de paring voornamelijk rond februari gebeurt, kunnen dassen het heel jaar door paren. Dit heeft als voordeel dat de band tussen het alfa-mannetje en –vrouwtje op die manier versterkt wordt. Vlooien is namelijk goed voor de paarbinding, maar seks is nog beter! Het duurt ongeveer 50 dagen vooraleer een bevruchte eicel zich ontwikkelt tot een dassenpup die klaar is om geboren te worden. Om in februari geboren te worden, zou de paring in theorie dus in december moeten plaatsvinden.  Maar dan kan het buiten erg koud zijn. In sommige delen van Europa zelfs zo koud dat de dassen wekenlang onder de grond blijven. Geen ideale omstandigheden dus om te paren.

Een paring in bijvoorbeeld september, zou dan weer jongen opleveren rond november, net wanneer de winterkoude eraan komt. Om toch heel het jaar te kunnen paren, maar niet met jongen te zitten op een ongunstig moment, kennen dassen een uitgestelde zwangerschap.

Zwevende eicellen

Ongeacht wanneer de paring plaatsvindt, de jongen beginnen zich pas tegen december-januari in het moederlichaam te ontwikkelen. Tot dan blijven de bevruchte eicellen als het ware zweven in de baarmoeder van het vrouwtje. Rond de herfst vreten de dassen zich goed vol en krijgen zo een stevige speklaag om de winter door te komen. In dat vet stapelen zich ook hormonen op. Naarmate de winter vordert, wordt dit vet opgebruikt, en komen steeds meer hormonen vrij. En die hormonen zorgen ervoor dat rond eind december de jongen zich beginnen te ontwikkelen. De jongen worden dan in februari geboren. Het is dan nog wel koud, maar de moeder houdt haar jongen lekker warm, diep onder de grond in de burcht. Tegen april zetten de pups dan hun eerste stapjes in de buitenwereld, zodat ze de hele zomer hebben om op te groeien.  Een perfecte timing!

Maar het fascinerende van de dassenvoortplanting is nog niet gedaan. Omdat dassenvrouwtjes meerdere keren per jaar loops worden, en de jongen zich nog niet onmiddellijk beginnen te ontwikkelen, kunnen ze dus ook meerdere keren per jaar loops worden en dus ook meerdere keren per jaar paren. Die paringen moeten niet persé altijd met hetzelfde mannetje te zijn. Het komt vaak voor dat jongen uit hetzelfde nest, verschillende vaders hebben. Goed voor de genetische diversiteit!

Pasgeboren dassen

Enkel het alfavrouwtje van de dassenclan krijgt jongen. Het zijn er 1-5,en pasgeboren dasjes zijn blind en volledig hulpeloos. Hun roze huid is begroeid met een helelichte grijs-witte vacht waarin de zwarte oogstrepen al een klein beetje zichtbaar zijn. Na 4 weken hebben ze wel al duidelijk de typisch zwarte, witte, en grijze zones.
De warmte van de moeder en het nestmateriaal houdt de jongen in het nest lekker warm. Na 6 weken beginnen de jongen al rond te kruipen in de burcht, en na ongeveer 8 weken komen de dassen voor het eerst boven de grond.

Dassen en vlooien…

Wanneer dassen tegen de avond hun burcht verlaten, starten ze vaak met een uitgebreide vlooisessie. Met hun lange nagels gaan ze doorheen hun eigen vacht, of die van hun clangenoten. Dit vlooien doen ze niet voor niets. Dassen hebben vaak last van een typische dassenvlo (Paracelis melis), een soort die enkel op dassen voorkomt. Vlooien zijn (ecto-)parasieten die het bloed van dassen opzuigen, en dus er eigenlijk voor kunnen zorgen dat een das zwakker wordt. De bedoeling van het vlooien is ervoor zorgen dat je zelf of je clangenoten geen last meer hebben van vlooien. Wanneer de vlooien in de burcht gescheiden worden van de das, beginnen ze hevig op en neer te springen in de hoop terug contact te maken met de das. Om snel lichter te worden en dus verder te kunnen springen en makkelijker de das opnieuw te bereiken, geven de vlooien vaak zelfs over! Lukt het toch niet om de das terug te bereiken, dan springen de vlooien richting het licht, en dus de ingang van de dassenburcht. Hierdoor kunnen ze een das onderscheppen die zijn burcht verlaat of terug binnenkomt. Een fantastisch staaltje evolutie! En als dat nog niet genoeg is, heeft men ook nog ontdekt dat wanneer de concentratie aan CO2 (zit in uitgeademde lucht) wordt verhoogd, de vlooien nog heviger en verder gaan springen in de richting van het gas. Logisch, want CO2 zit in uitgeademde lucht, het signaal dat er een dier in de buurt is waar de vlooien op kunnen springen!

Bij primaten heeft het elkaar vlooien ook een belangrijke sociale functie. Vriendschappen worden versterkt, onderdanige dieren vlooien het alfamannetje en -vrouwtje om beter in de gunst te staan,.. Dit is bij dassen minder het geval, bij dassen draait het vlooien vooral om het hygiënische aspect, het ontdoen van bloedzuigende vlooien. Men heeft dit ontdekt dankzij het maken van filmbeelden van vlooiende dassen. Men weet dat dassen zichzelf heel goed op de buik kunnen vlooien, maar moeilijker aan hun eigen rug geraken. Als het vlooien nu vooral belangrijk is om elkaar te ontdoen van parasieten, dan zou je verwachten dat dassen elkaar niet zomaar willekeurig ergens gaan vlooien, maar zich echt gaan richten op lichaamsdelen die een das zelf niet of moeilijker kan bereiken.

En dit klopt. Wanneer dassen elkaar vlooien, vlooien ze vooral elkaars rugstreek, het gedeelte van hun lichaam dat ze moeilijk bij zichzelf kunnen bereiken. Vlooien ze zichzelf, dan concentreren ze zich op de buikregio waarbij ze als echte panda’s op hun rug gaan liggen. Alles tezamen wordt elke lichaamsregio ongeveer even veel gevlooid, ofwel door zichzelf ofwel door andere dassen.

Hieruit kan men al afleiden dat de functie vooral is om de parasieten weg te krijgen, want anders zouden de dassen elkaar eender waar vlooien, terwijl nu de focus duidelijk ligt op lichaamsdelen (de rug)die een das bij zijn eigen moeilijk kan bereiken. Op het filmpje is duidelijk te zien dat een das die zichzelf vlooit, zich focust op de buik, terwijl de dassen die elkaar vlooien zich meer concentreren op elkaars rug.

Dan heeft men ook nog eens gekeken naar het gedrag van de vlooien. Wanneer een das kunstmatig gevlooid werd, merkte men dat de vlooien heel snel naar beneden sprongen. Ze volgden de richting van de haargroei, recht naar beneden om de das te verlaten. Een vlo echter die op zoek is naar een das, gaat zoveel mogelijk omhoog proberen te springen, richting de das. Omdat er dus een duidelijk verschil is in gedrag tussen een vluchtende vlo (door het vlooien), en een zoekende vlo (die dassenbloed wil), is het duidelijk dat dassen in de loop van de evolutie strategieën hebben gevonden om zich te ontdoen van vlooien (het zichzelf vlooien op de buik en het vlooien van andere dassen op de rug), maar dat vlooien ook strategieën hebben ontwikkeld om hieraan te ontsnappen (naar beneden springen), en daarna zo snel mogelijk terug contact te zoeken met een das (het omhoog springen, liefst nog in de richting van de uitgeademde CO2). Het klinkt banaal en simpel, maar eigenlijk is dit een fantastisch voorbeeld van hoe parasieten (vlooien) en gastheren (dassen) samen ontwikkeld zijn!

Dassen en het verkeer

Je ziet ze geregeld liggen: dode dassen langs de weg. Naar schatting sterft elk jaar 1 volwassen das op 5 in het verkeer. Een enorme tol dus die de verspreiding van dassen hoogstwaarschijnlijk fel kan vertragen. Gelukkig worden er hier en daar maatregelen genomen om deze sterfte te beperken. In dassenrijke gebieden, zoals de Voerstreek, worden wegen vaak afgerasterd. Lage rasters zorgen ervoor dat de dassen niet op de weg raken. Om toch de overkant veilig te bereiken, worden tunnels onder de weg gemaakt. Komt een das om een of andere reden toch binnen de omheining, dan zijn er kleppen gemaakt waardoor de das van de weg af kan geraken, maar niet terug naar binnen. Zo vernielde een groep everzwijnen een tijdje geleden een afrastering, maar dankzij die kleppen waren de dassen toch snel terug in veiligheid.

Dassen leren al snel gebruik te maken van tunnels. Het was al een hele tijd geleden dat ik nog trailcams gebruikt heb, maar ik wilde absoluut een beeld van een das in de tunnel, dus hing ik er eentje op. Aan de ene kant van de weg was een bos waarin een dassenclan een burcht had gemaakt, aan de andere kant van de weg lagen grasvelden waar ze op zoek gingen naar regenwormen. Na enkele dagen ging ik de beelden bekijken, en dagelijks zag ik dassen door de tunnel kruipen. Ook een vos liet zich zo een keer filmen, en heel wat kikkers en padden maken er ook gebruik van.

Zeker nu er heel wat grote zoogdiersoorten aan het terugkeren zijn (wolven, lynxen, dassen,…) na lange tijd van afwezigheid, is het erg belangrijk dat dergelijke maatregelen genomen worden. Onze landschappen zijn doorkruist met grote en kleine wegen, en dieren worden nog al te vaak het slachtoffer ervan. De chauffeurs valt meestal niets te verwijten, het is vaak onmogelijk om een aanrijding met een plots opduikend dier te voorkomen. Hoe meer ecoducten, ecotunnels, afrasteringen,… er gemaakt worden, hoe vlotter dieren zich doorheen ons landschap kunnen verspreiden en hoe groter de kans is dat ze levend en wel op een plek geraken waar ze zelf een nieuwe populatie kunnen stichten!