Herbeumont (juni 2024)

Aan de rechteroever van de Semois, diep in de provincie Luxemburg, ligt het dorpje Herbeumont. Daar bleven we begin juni 2024 slapen in ‘Le terrier des renards’, een prachtig gelegen ecohut/tiny house in een privaat bosgebied van 8.000m². In deze regio moet je nooit ver wandelen om te genieten van prachtige vergezichten over de Semois die diepe valleien in het landschap snijdt, om even later terug het dichte loofbos in te duiken. Een constante doorheen alle wandelingen lijkt wel ‘water’ te zijn. Continu kom je de meest pittoreske zijriviertjes tegen, of mini-stroompjes die de zijriviertjes voedden. Afhankelijk van de wandelingen die je doet, kunnen de hellingen soms erg stevig zijn. 

De hut ligt in een bosgebied, maar vlak voor de hut werd alles wat opengemaakt zodat je een mooi zicht hebt op de omgeving. Het open stuk wordt bijna volledig bedekt door bramen en brem. Op het moment dat wij er waren stond de brem mooi in bloei. Een mannetje grauwe klauwier was geregeld te zien, en ongetwijfeld zat het vrouwtje ergens in de brem op eieren, aangezien zij zelf nooit te zien was.

De eerste avond hoorden we rond 21u jonge uilen roepen. Na wat zoeken vonden we een viertal jonge ransuilen. Ze konden al vliegen, maar vertrouwen voor hun voedsel nog volledig op de ouders die we ook zagen rondvliegen.

De tweede dag maakten we een 15km lange wandeling die startte aan de hut. Gedurende bijna de hele wandeling volgende we de Antrogne (een zijriviertje van de Semois), of de minibeekjes die de Antrogne voedden. Al heel in het begin, aan een brugje over de Antrogne, werd het zijriviertje plots een stuk breder.  Het werd snel duidelijk hoe dit kwam. Een erg actieve beverfamilie heeft een vrij lage, maar lange dam gebouwd die het water ophogen en een mini-moerasgebiedje creëren. Bevers zagen we niet, maar overal waren de sporen zichtbaar: tientallen omgeknaagde berken lagen in het water, en bijna tegen de oever zagen we de redelijk grote burcht. De verse moddersporen tegen de burcht verraadden dat er recent nog aan gewerkt werd.

Vanuit het brugje ging het meer noordelijk doorheen het mooi loofbos, geflankeerd door het kleine beekje. Plots hoorden we uit de richting van het beekje de typische hoge alarmroep van een ijsvogel. Toch een beetje vreemd om die midden in een bos tegen te komen, maar toen ook een tweede ijsvogel begon te roepen was het duidelijk dat we in de buurt van een nest moesten zijn. En dit bleek ook het geval. In de ongeveer 40cm lage maar steile oever rondom een kleine meander was een holte gemaakt.

Af en toe draaiden we ook voorzichtig wat rottend hout om. Geregeld kwamen we alpenwatersalamanders tegen, en het indrukwekkende vrouwtje van een zwarte houtlangpootmug, een insect dat ik niet kende. Die laatste vonden we onder een rottende berk, en rottende berken zijn de typische plekken waar de vrouwtjes hun eieren komen leggen.

Veel kleine beestjes dus die zichtbaar waren, maar de bossen wemelen ook van het groter wild, al zijn everzwijnen, reeën of edelherten wel veel moeilijker te zien, zeker overdag. Everzwijnen hoorden we de vorige avond al schreeuwen, en hun wroetsporen zijn ook op vele plekken te zien langs de paadjes. In de beek ontdekten we ook een stuk van het gewei van een edelhert. Hun pootafdrukken vind je ook overal in de modder.

Op de grond, eigenlijk vlak naast een wandelpaadje, lag een omgevallen grote stinkzwam. De naam verwijst naar de geur van rottend vlees die de paddenstoel afgeeft. Die geur trekt vliegen of aaskevers aan, die dan weer de sporen van de paddenstoel verspreiden.